Ik ben optimist. Tenminste, dat is wat ik niet zo heel lang geleden nog zei, glimlachend van oor tot oor, trots op deze positieve denkwijze, en volslagen naïef. Optimisme was voor mij: vaak blij zijn, opgewekt zijn. Wanneer iets tegen zit, niet direct in elkaar schrompelen, niet direct in een hoekje gaan zitten huilen. In plaats daarvan: de dingen van de zonnige kant bekijken. Een drie op de toets? Niet erg, die zeven staat nog steeds als gemiddelde. Lachend ging ik door het leven. Ik was optimist. Als er t-shirts van waren, had ik er één gekocht.
Over het optimisme valt een heleboel te zeggen. Het meeste daarvan gaat gelukkig veel verder dan de triviale betekenis die ik aan de term toekende. Voor iedereen die zin heeft om een makkelijk leesbaar, maar toch filosofisch en literair geprezen boekje te lezen, raad ik ‘Candide ou l’Optimisme’ aan. Het boekje werd geschreven door de Franse filosoof Voltaire, het staat op mijn lijst met gelezen boeken voor het vak Nederlands, en het is een parodie op het optimisme van Leibniz. Deze Duitse filosoof stelde ooit dat deze wereld de beste van alle denkbare werelden zou moeten zijn. Kortom: alles aan dit leven is as good as it gets. Tegenslag? Welnee! Dat bestaat niet.
Ik zie voor me hoe Voltaire, in een goede bui, de mening van zijn Duitse collega onder het genot van een Frans wijntje besprak met een vriend. Ik neem niet aan dat de aanzet tot de parodie tot stand kwam onder invloed van de alcohol in de wijn, maar gezien het gehalte ‘parodie’ van het boekje had dat zomaar gekund. In ‘Candide ou l’Optimisme’ wordt Leibiz’ theorie compleet onderuit gehaald. De hoofdpersoon Candide overkomt een reeks van allerverschrikkelijkste gebeurtenissen, maar ondanks alle tegenslag blijft Candide vasthouden aan de levensbeschouwing zoals die hem is geleerd door de huisfilosoof Pangloss (Leibiz, in de parodie): deze wereld is de beste van alle mogelijke werelden. Niets aan de hand dus, voor Candide. Totdat het allemaal wel zó slecht wordt, dat zelfs Candide zijn levensbeschouwing moet laten varen. Echt niets loopt goed af voor de arme jongen. Zelfs zijn geliefde is oud en lelijk geworden wanneer hij haar eindelijk weerziet. Een slechter lot kun je iemand toch niet toewensen. (Deze opmerking bewijst echter een ander punt van mijn karakter, waar ik nu niet verder op in zal gaan.)
In de optimistische wereld van huisfilosoof Pangloss, oftewel Leibniz, zijn mensen perfect. Iedereen is goed, niemand maakt fouten. Alles is goed.
Het is die opvatting die ik zojuist in een discussie met mijn moeder bij mezelf terugvond. Diep verborgen onder lagen van realisme schuilt een optimist in mij. De discussie ging over of je wel of niet van je omgeving mag verwachten dat deze zich aanpast aan jou, als er dingen zijn die jij niet kunt veranderen aan jezelf. Moeder was van mening (en terecht) dat niemand perfect is, dat niemand dus ooit constant rekening met jou zal kunnen blijven houden. Ook al wist ik dat ze gelijk had, toch knaagde er iets in mij, dat tot uitdrukking kwam in de mening dat ze niet gelijk had. Het zou toch verschrikkelijk zijn, als dat echt zo was? Maar er is toch wel íets goeds aan de mens?
Ik kon het niet geloven. Diep in mijn hart geloof ik dat de mens een stukje goedheid heeft. Misschien is het niet veel, misschien zelfs te verwaarlozen. Zelfs ondanks de zondeval en de zondige natuur van de mens, geloof ik dat de mens ook wel een beetje een neiging heeft naar het goede. Ik wíl dat dat zo is. In een wereld zonder goede bedoelingen kan ik niet leven. Dus moet het zo zijn.
Ik weet niet hoe lang het duurt het gaat duren voordat de Candide in mij zich bewust gaat worden van de realiteit. Pangloss blijft mijn huisfilosoof voorlopig, totdat het onheil me te veel wordt, en zelfs mijn levensbeschouwing in elkaar stort.
Nu maar duimen dat de jongste dag eerder komt.
Recente reacties